Proefles online cursus

Alle voorschriften met betrekking tot het scheepvaartverkeer zijn ondergebracht in de Scheepvaartverkeerswet (SvW).
De volgende reglementen zijn ondergebracht in deze wet:

  • BPR (Binnenvaart Politie Reglement)
  • RPR (Rijnvaart Politie Reglement)
  • SRKGT (Scheepvaart Reglement Kanaal van Gent naar Terneuzen)
  • SRGM (Het Scheepvaart Reglement Gemeenschappelijk Maas )

Er staat onder andere ook in de Scheepvaartverkeerswet dat er maximaal 0,5 o/oo (promille) alcohol in het bloed
toegestaan is. Dit geldt niet alleen voor de schipper, maar ook voor degene die stuurt.
Ook medicijnen en/of drugs die de stuurvaardigheid (rijvaardigheid) kunnen beïnvloeden mogen niet worden gebruikt.
Zelfs als de schipper minder dan 0,5 promille alcohol heeft genuttigd en zich niet helemaal helder voelt, dan mag hij niet
verder varen.

Let op: Het maximum alcoholpercentage geldt zowel voor de schipper als de bestuurder.

Voorbeeld examenvraag:

Zowel de bestuurder (heeft geen vaarbewijs) als de schipper van een snelle motorboot hebben alcohol genuttigd. De bestuurder van een boot heeft volgens de blaastest minder dan 0,5 promille alcohol in zijn bloed.
De schipper heeft meer dan 0,5 promille alcohol in zijn bloed; wie is er fout?
Weet je het antwoord al?

De schipper is in overtreding.
Je mag gerust een snelle motorboot besturen zonder vaarbewijs indien je 18 jaar bent en de schipper (met vaarbewijs) onmiddellijk kan ingrijpen.
Hier heeft de schipper teveel gedronken dus de bestuurder vaart de boot met een “dronken” schipper.

Zowel de schipper als bestuurder zijn in overtreding.

Kijk je hebt al wat geleerd het eerste punt voor je examen is binnen.

Nu die andere 79 nog😉

Het BPR is overal in Nederland van kracht.

Niet alleen op alle rivieren, kanalen, meertjes en binnenwateren, maar ook op het IJsselmeer, de Waddenzee en de Oosterschelde.
Elk schip, met uitzondering van een klein open schip, moet het BPR reglement aan boord hebben.
Dit reglement staat onder andere in de wateralmanak deel 1.
Uitzonderingen waar het BPR niet van kracht is:

  • RPR – Gebied;
  • SRKGT – Gebied;
  • Eems en Dollard;
  • Westerschelde;
  • Zee.

De online cursus vaarbewijs bestaat uit teksten, animaties en korte instructie video’s. Wil je liever de complete cursus op video? Ook dat is mogelijk ga dan voor onze videocursus. Uiteraard zijn al onze cursussen inclusief examentrainingen en ondersteuning van je persoonlijke leraar.

 

Begripsomschrijvingen

  • Schip: Alles wat gemaakt is om te varen, met of zonder waterverplaatsing.
    De draagvleugelboot, hovercraft, watervliegtuig (geland) zijn enkele voorbeelden van schepen.
  • Motorschip: Schip dat gebruik maakt van zijn motor.
  • Passagiersschip: Een schip dat meer dan twaalf passagiers mag vervoeren.
  • Zeilschip: Dit is een schip wat uitsluitend door zijn zeilen wordt voortbewogen.  Maakt een zeilschip ook gebruik van zijn motor, dan is het een motorschip.
motorbootSchip ziet er wel uit als een zeilschip. Volgens het reglement is dit een motorschip.
  • Snel schip: Dit is een groot schip wat sneller dan 40 km/uur vaart (zoals een draagvleugelboot).Je kunt zien of het schip sneller dan 40 km/uur vaart, door twee krachtige flikkerlichten die deze boot laat zien.
Snel schip = Draagvleugelboot of hovercraft (niet verwarren met de snelle motorboot)
  • Duwstel: Duwboot met één of meerdere duwbakken.
Duwboot met 4 bakken. De lengte van deze totale combinatie is meer dan 200 meter.
  • Gekoppeld samenstel: Dit zijn twee schepen die aan elkaar vast zijn gemaakt.
gekoppeld samenstelGekoppeld samenstel (koppelverband). Dit zijn twee schepen aan elkaar “vast geknoopt”.
  • Drijvend werktuig: Drijvende bak met bijvoorbeeld een baggermolen of een heistelling erop.
  • Vissersschip: Een schip dat vist. Vaart hij naar een vis-stek toe, dan is het een gewoon schip.
Gewoon schip (Deze boot ziet er wel uit als een visserschip maar vist niet).
  • Klein schip: Een schip waarvan de lengte niet meer is dan 20 meter.
    Uitgezonderd:
    Een sleepboot (moet wel slepen, anders is het een gewoon schip);
    Een veerpont;
    Een vissersschip (let op of hij vist);
    Passagiersschip. Dit zijn altijd “grote schepen”, ook al zijn ze (veel) kleiner dan 20 meter. Let op: een passagiersschip is een groot schip, om verwarring te voorkomen toont deze boot (als deze kleiner is dan 20 meter) een gele ruit. Zo kunt u zien dat het om een groot schip gaat.
  • Stilliggend schip: Een schip dat geankerd of gemeerd ligt.
  • Varend schip: Een schip dat niet geankerd of gemeerd ligt.
  • Snelle motorboot: Een schip dat sneller kan varen dan 20 kilometer per uur. Dit is een snelle motorboot (geen snel schip)
Dit is een snelle motorboot, niet verwarren met een snel schip. Wordt regelmatig gevraagd op het examen.
  • Korte stoot: Geluidsein met de toeter. Duur is ongeveer 1 seconde.
  • Lange stoot: Geluidsein met de toeter. Duur is ongeveer 4 a 5 seconden.

Een varend schip, stilliggend schip en een vast gevaren schip. Deze spreken alle drie voor zich maar is dat ook zo?

Examenvraag
Er zijn 3 schepen: Schip A dobbert met de stroom mee zonder enige aandrijving. Schip B wordt langszij meegevoerd aan een ander schip. En schip C is vastgelopen op een zandplaat. Welk schip of schepen zijn een varend schip?

Antwoord A.     Alleen A.
Antwoord B.     A en B
Antwoord C.     Alleen B.

Een schip kan ten anker of gemeerd liggen, kan varend zijn of vast gevaren (of gezonken) zijn. (schip C).
Schip B zit vast aan A is dus niet varend, Antwoord A is juist. (lastige vraag hè).

De online cursus vaarbewijs bestaat uit teksten, animaties en korte instructie video’s. Wil je liever de complete cursus op video?  Ook dat is mogelijk ga dan voor onze videocursus. Uiteraard zijn al onze cursussen inclusief examentrainingen en ondersteuning van je persoonlijke leraar.

 

Ja, ik meld me aan voor de online cursus Laat me ook even de videocursus zien